Op reis gaan

Op reis gaan in de Engelse taal.

Travel Op reis gaan
The journey De heenreis
The return De terugreis
How do you go to ...? Hoe ga je naar ...?
I'm going by plane Ik ga met het vliegtuig
At what time do you take the bus? Hoe laat pak je de bus?
Do you go by car or by train? Ga je met de auto of met de trein?
Everything is organized Alles is georganiseerd
When does the plane leave? Wanneer vertrekt het vliegtuig?
I leave Monday and I'll be back on Saturday Ik vertrek maandag en ik kom zaterdag terug

Delen met vrienden